Leerlingenstatuut 2017-2018

In het leerlingenstatuut wordt het geheel van rechten en plichten van de leerlingen beschreven. Het omvat regels die op school gelden. Daarnaast wordt aangegeven hoe die regels gehanteerd worden en op welke wijze wordt omgegaan met mogelijke tegenstellingen. Het leerlingenstatuut regelt de rechten en de plichten van de leerlingen. Scholen kunnen de inhoud daarvan zelf bepalen.


De Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) zegt hierover in artikel 24g:

  1. Het bevoegd gezag van een school legt elke twee jaar in een reglement, leerlingenstatuut genaamd, de rechten en plichten van de leerlingen vast.
  2. In het leerlingenstatuut worden in elk geval voorschriften opgenomen, strekkende tot handhaving van de goede gang van zaken binnen de instelling en, de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de bescherming van gegevens uit de persoonlijke levenssfeer.
  3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het leerlingenstatuut in de school ter inzage wordt gelegd op een voor de leerlingen toegankelijke plaats.

Artikel 1: Begrippen

In dit statuut wordt bedoeld met:

  • leerlingen: alle kinderen die op het Cornelius Haga Lyceum staan ingeschreven;
  • ouders: ouders, voogden en feitelijke verzorgers;
  • onderwijs ondersteunend personeel: personeelsleden met onderwijsondersteunende taken;
  • docenten: personeelsleden met een onderwijstaak;
  • schoolleider: de in deze functie benoemde persoon met gemandateerde bestuurstaken;
  • bestuur: het bestuur van de Stichting Islamitisch Voortgezet Onderwijs;
  • medezeggenschapsraad: het vertegenwoordigende orgaan van de school zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet Medezeggenschapsraad Onderwijs;
  • geleding: een groepering binnen de school: leerlingen, ouders, personeel;
  • mentor: een docent aangewezen om een groep leerlingen gedurende een schooljaar te begeleiden;
  • team: afdeling van docentengroep;
  • teamleider: De persoon die de verantwoording voor het onderwijskundig– en begeleidingsproces van de afdeling heeft en functioneel leiding geeft aan de medewerkers van de afdeling (het team);
  • klachtencommissie: de klachtencommissie zoals bedoeld in artikel 24b van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO).
Artikel 2: De betekenis van het leerlingenstatuut

In dit leerlingenstatuut wordt het geheel van rechten en plichten van de leerlingen beschreven. Het omvat regels die op  onze school gelden. Daarnaast wordt aangegeven hoe die regels worden gehanteerd en op welke wijze wordt omgegaan met daaruit voortkomende tegenstellingen. Daarom worden in dit leerlingenstatuut ook rechten en plichten aangegeven van andere leden van de schoolbevolking jegens de leerlingen. Het leerlingenstatuut bevat alleen de hoofdlijnen die in afzonderlijke regelingen worden uitgewerkt. De regels worden vastgesteld op basis van redelijkheid en tolerantie ter bevordering van een goed, werk – en leefklimaat van allen die bij de school betrokken zijn.

Artikel 3: Het doel

Het leerlingenstatuut heeft de volgende doelstellingen:

  • beschrijving van de rechten en plichten van de leerlingen;
  • het scheppen van duidelijkheid in de omgang tussen leerlingen, docenten en andere personeelsleden;
  • het verhelderen van de positie van de leerling ten opzichte van de docenten en andere personeelsleden;
  • het bieden van een richtlijn bij de benadering van voorkomende problemen en/ of tegenstellingen tussen leerlingen en personeelsleden.
Artikel 4: Procedure

Het leerlingenstatuut wordt vastgesteld door het bevoegd gezag en geldt tot uiterlijk 1 augustus 2019. Het statuut is vooralsnog geldig met inachtneming van de wijzigingen. De rector gaat in 2018 met de leerlingenraad in gesprek om het leerlingenstatuut wederom vast te stellen voor een periode van twee jaar.

De vorming van de leerlingenraad vindt naar verwachting plaats medio mei 2018.

Artikel 5: Toepassing

Het leerlingenstatuut is, behoudens wettelijk vastgestelde bevoegdheden, voorschriften en reglementen, bindend voor:

  • de leerlingen;
  • de docenten;
  • de ouders/verzorgers;
  • het onderwijs ondersteunend personeel;
  • de mentoren en teamleiders;
  • de geledingen van de school;
  • de schoolleider;
  • het bestuur.
Artikel 6: Bekendmaking

Het leerlingenstatuut wordt gepubliceerd op de schoolsite t.b.v. leerlingen en personeelsleden van onze school en andere belangstellenden. Een exemplaar van het leerlingenstatuut is ook op school -bij de administratie- ter inzage beschikbaar.

Artikel 7: Meerderjarigheid

De meerderjarige leeftijd van een leerling is wettelijk gesteld op 18 jaar. Voor de leerling die deze leeftijd heeft bereikt is toestemming van de ouders/ verzorgers in aangelegenheden die de leerling betreffen niet meer vereist.

Artikel 8: Het onderwijs

De leerlingen hebben er recht op dat de docenten zich inspannen om behoorlijk onderwijs te geven. Het gaat hierbij om zaken als:

  • redelijke verdeling van de lesstof over de lessen;
  • duidelijke uitleg van de stof;
  • kiezen van geschikte schoolboeken;
  • aansluiting van het opgegeven huiswerk bij de behandelde lesstof;
  • zorg dragen voor de aansluiting van de leerstof op het naastgelegen hogere en naastgelegen lagere leerjaar;
  • zorg dragen voor de afstemming van het aanbod van de leerstof en de normering daarvan in de parallelklassen van hetzelfde leerjaar en dezelfde afdeling;
  • rekening houden met leerlingen van wie bekend is dat zij dyslectisch zijn en/ of last hebben van faalangst.

Als een docent naar het oordeel van een leerling of een groep leerlingen zijn taak niet op een behoorlijke wijze vervult, dan kan dat door de leerling(en), eventueel na raadpleging of tussenkomst van de mentor, al dan niet in de vorm van een schriftelijke klacht, aan de orde worden gesteld bij de schoolleider.

In het geval sprake is van een klacht geeft de schoolleider binnen een redelijke termijn aan de leerling(en) en de betrokken docent een reactie op de klacht. De leerling is verplicht zich in te spannen om een goed onderwijsleerproces mogelijk te maken. De leerling heeft een zo groot mogelijk inzet om de opleiding tot een goed einde te brengen. De leerling is verplicht de lessen bij te wonen die volgens het lesrooster voor hem/ haar bestemd zijn.

Artikel 9: Huiswerk

De docenten die lesgeven aan een bepaalde klas, zorgen voor een redelijke totale belasting aan huiswerk. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het maken van werkstukken. Het huiswerk wordt duidelijk en tijdig doch in ieder geval voor het einde van de les opgegeven door het op het bord te schrijven en ook te vermelden in SOMtoday. De school maakt huiswerkbegeleiding mogelijk.

De leerling die niet in de gelegenheid is geweest het huiswerk te maken of te leren, meldt dit bij de aanvang van de les aan de docent. De docent die de reden waarom een leerling het huiswerk niet heeft kunnen maken of leren niet aanvaardbaar acht, kan hiervoor een sanctie opleggen.

In SOMtoday wordt naast het op te geven huiswerk ook de tijd genoteerd die de leerlingen naar de inschatting van de docenten nodig hebben voor het maken of leren daarvan. Daarbij geldt de circa dertig minuten per vak per keer in het eerste jaar tot oplopend tot circa vijfenveertig minuten per vak in de klassen 4 en hoger. Ouders hebben ten alle tijden toegang tot SOMtoday.

Artikel 10: Toetsing

a. Schriftelijke toetsing van de leerstof kan uitsluitend geschieden door:

Schriftelijke overhoring (SO)
Bij een SO wordt een kleine hoeveelheid lesstof of vaardigheid getoetst. De weging van een SO is 1. Een SO kan onverwachts afgenomen worden of kan een dag van te voren opgegeven worden.

Proefwerk (PW)
Bij een proefwerk wordt een grote hoeveelheid lesstof of vaardigheden getoetst. Dit PW dient minimaal 5 schooldagen van tevoren te worden opgegeven. Een proefwerk is dus een toets over leerstof van meerdere lessen. Proefwerken dienen in verband met de werkdruk verspreid opgegeven te worden. Het aantal proefwerken is maximaal één per dag.

Mondelinge overhoring (MO)
Bij een MO wordt de lesstof of vaardigheid mondeling getoetst. Een MO kan onverwachts afgenomen worden of kan een dag van te voren opgegeven worden.

Praktische opdracht (PO)
Een PO is een klein onderzoek of een ontwerpopdracht als toets. Van dat onderzoek moeten de leerlingen veelal een verslag schrijven en zij moeten dit presenteren.

Toetsweek (TW)
Periode tijdens het schooljaar waarin de leerlingen summatief worden geëvalueerd op hun kennis van de leerstof van de vakken die ze volgen. Op het CHL hebben we in het eerste leerjaar een toetsweek. Deze zal eind periode 3 plaatsvinden.

Diagnostische toetsen
Een diagnostische toets is bedoeld om de leerling en docent inzicht te geven in hoeverre de leerling de lesstof heeft begrepen. Deze toets telt niet mee voor een cijfer.

b. Er moet tevoren duidelijkheid zijn of en hoe de beoordeling meeweegt bij het vaststellen van het rapportcijfer.

c. Het aantal toetsen per vak per rapportperiode is in principe minimaal gelijk aan het aantal lesuren per week in dat vak. Het rapportcijfer van een 3-uurs vak of meer is minimaal gebaseerd op drie schriftelijke gegevens.

d. De uitslagen van een SO moet binnen vijf schooldagen worden bekendgemaakt en van een PW binnen tien schooldagen na de dag van de afname.

e. Een toets wordt altijd nabesproken in de les. Een toets die voortbouwt op kennis van een vorige kan slechts worden afgenomen als de voorgaande toets is besproken en de cijfers zijn bekend gemaakt.

f. Een proefwerk is een toets over leerstof van meerdere lessen. Deze dienen in verband met de werkdruk verspreid opgegeven te worden.

g. Een leerling heeft het recht van inzage in gemaakte toetsing en teruggave daarvan tenzij rijksregelingen zich daartegen verzetten. De normen van de beoordeling van een toetsing worden door de docent meegedeeld en zo nodig toegelicht.

h. Een leerling die het niet eens is met de beoordeling van een toetsing, kan, eventueel na raadpleging of tussenkomst van de mentor, bezwaar aantekenen bij de docent. Is de reactie van de docent voor de leerling niet bevredigend, dan kan de leerling bezwaar aantekenen bij de schoolleider. Deze geeft binnen een redelijk termijn aan de leerling(en) en de betrokken docent een reactie op het bezwaar.

i. De leerling die met een voor de docent of schoolleider aanvaardbare reden niet heeft deelgenomen aan een repetitie, heeft het recht alsnog aan die toetsing deel te nemen.

j. Voor het inleveren van de cijfers voor de rapporten is er een moment waarop door aanvaardbare omstandigheden gemiste proefwerken en toetsen ingehaald dan wel overgemaakt moeten worden.

k. De sanctie van het cijfer 1.0 bij elke geconstateerde vorm van fraude is van tevoren duidelijk kenbaar gemaakt.

l. Wanneer het maken van een werkstuk van wat voor soort ook, onderdeel is van het onderwijsprogramma en meetelt bij het vaststellen van het rapportcijfer, dan dient tevoren duidelijk te zijn aan welke normen een werkstuk moet voldoen, wanneer het gereed moet zijn en wat de (cijfermatige) consequenties zijn van het niet of te laat inleveren.

m. Voorwaarden opgenomen in het Programma van toetsing en overgang (PTO) zijn ook van toepassing en moeten in samenhang worden gelezen.

Artikel 11: Overgaan en zittenblijven

Een leerling kan alleen in de bovenbouw één keer doubleren.

Een rapport geeft de leerling een overzicht van zijn/haar prestaties voor de vakken in een bepaalde periode. Het rapport is gericht aan de leerling en, indien deze nog minderjarig is, diens/dier ouders/ verzorgers.

Bij de aanvang van elk cursusjaar wordt aan de leerlingen duidelijk gemaakt aan welke normen een leerling moet voldoen om toegelaten te worden tot een hoger of ander leerjaar, in welke gevallen een leerling doubleert en op welke wijze het eindcijfer wordt berekend.

Een leerling kan niet op grond van onvoldoende leerprestatie in de loop van het cursusjaar van school verwijderd worden. De schoolleider kan in de loop van het cursusjaar wel aan een leerling een verwijsadvies geven voor een andere school of een andere leerweg.

Een leerling wordt in principe uit een leerweg van de school verwijderd indien:

  • de leerling tweemaal doubleert in hetzelfde leerjaar
  • in twee opvolgende leerjaren doubleert.
Artikel 12: Gedragsregels

De school stelt regels op ten aanzien van de gedragingen en de omgang in de school op basis van de geldende Nederlandse en islamitische normen en waarden. In ieder geval wordt geregeld:

  • het gewenste gedrag van de leerlingen in en rondom de school;
  • het gewenste gedrag van de leerlingen in de klas;
  • de gedragsregels met betrekking tot de aanwezigheid;
  • de gedragsregels met betrekking tot het te laat komen;
  • de gedragsregels met betrekking tot persoonlijk bezit;
  • de aansprakelijkheid van de school;
  • de gedragsregels met betrekking tot consumptief gedrag en uiterlijk;
  • het gedrag met betrekking tot roken, gebruik van alcohol en drugs;
  • de gedragsregels met betrekking tot de schoolorganisatie.

De school draagt er zorg voor dat de leerlingen aan het begin van elk schooljaar bekend zijn met de regels met betrekking tot het gedrag en de omgang.

De school voert beleid dat gericht is op het zoveel mogelijk beschermen van personeel en leerlingen tegen seksuele intimidatie en nadelige gevolgen daarvan en beleid ter voorkoming en bestrijding van discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht en seksuele geaardheid.

Artikel 13: Disciplinaire maatregelen

De handhaving van de goede gang van zaken in de school en in de klas kan worden bevorderd en in stand worden gehouden door pedagogische maatregelen.

Een pedagogische maatregel die gericht is op de goede gang van zaken in de klas kan worden genomen door een docent. Tot deze maatregel behoort het geven van strafwerk dan wel het ontzeggen van de toegang tot (een deel van) één les. Een leerling kan door een docent niet de toegang worden ontzegd tot meer dan één les.

Een pedagogische maatregel die is gericht op de goede gang van zaken op school, kan alleen worden toegepast door of namens de schoolleider. Tot deze maatregel behoren het ontzeggen van de toegang tot drie of meer lessen, het opleggen van schorsingen en het voordragen bij het bestuur tot definitieve verwijdering.

Bij opleggen van strafwerk dient er een redelijke verhouding te bestaan tussen de strafmaat en de ernst van de overtreding. Het moet duidelijk zijn voor welke overtreding de straf gegeven wordt. Bij de praktische uitvoering van een straf wordt met de mogelijkheden van de leerling rekening gehouden.

Lijfstraffen zijn ook hier verboden.

Artikel 14: Klacht en beroep

De klacht en het beroep of bezwaar zijn belangrijke middelen om de rechtsgelijkheid en de rechtszekerheid te waarborgen. Als beroepsgrond voor een klacht geldt het niet of onjuist toepassen van de op school geldende regels. Beroep kan worden aangetekend tegen een op school genomen (eind)beslissing.

Leerlingen en, in geval van minderjarigheid, hun ouders/verzorgers kunnen tegen pedagogische maatregelen genomen door docenten in beroep gaan bij de mentor. De afhandeling van het beroep vindt plaats binnen een termijn van vijf schooldagen.

Leerlingen en, in geval van minderjarigheid, hun ouders/verzorgers kunnen tegen pedagogische maatregelen genomen door de mentor schriftelijk in beroep gaan bij de schoolleider. De afhandeling van het beroep vindt plaats binnen een termijn van vijf schooldagen.

Een ieder die meent dat sprake is van onjuiste of onzorgvuldige toepassing van het leerlingenstatuut kan schriftelijke beroep of bezwaar aantekenen bij de schoolleider met het verzoek de toepassing in overeenstemming te (laten) brengen met het leerlingenstatuut. De afhandeling van het beroep vindt plaats binnen een termijn van vijf schooldagen.

Als het ingezet beroep onverhoopt daarna nog niet naar tevredenheid is behandeld kan de leerling zich wenden tot een eigen onafhankelijke klachtencommissie. Deze klachtencommissie bestaat uit personen die niet direct betrokken zijn bij de school, maar wel affiniteit hebben met islamitisch onderwijs en de islamitische gemeenschap. Leerlingen en, indien zij minderjarig zijn hun ouders/verzorgers, kunnen bij deze commissie klachten indienen over gedragingen en beslissingen en het nalaten daarvan van de schoolleider en het personeel van de school. Klachten kunnen alleen bij de commissie worden ingediend als men met zijn klacht nergens anders terecht kan of als de afhandeling van een klacht niet naar tevredenheid heeft plaatsgevonden.

De school maakt jaarlijks in de schoolgids het adres van het secretariaat van de Landelijke Klachtencommissie bekend.

Artikel 15: Leerlingenadministratie en leerlingendossier

In de centrale leerlingenadministratie zijn opgenomen gegevens die verband houden met de persoonsregistratie van de leerling en gegevens die relevant zijn voor diens schoolloopbaan. Deze gegevens betreffen:

a. naam, adres, telefoonnummer, geboortedatum en –plaats van de leerling;
b. de klassen en groepen waarin de leerling gedurende zijn schoolloopbaan is geplaatst;
c. gegevens van het leerlingvolgsysteem, zoals gegevens over de studievorderingen;
d. adres en telefoonnummer van de leerling bij het verlaten van de school;
e. naam, adres en telefoonnummer, geboortedatum en –plaats van de ouders/verzorgers;
f. gegevens die voor het verkrijgen van faciliteiten voor de school onmisbaar zijn, zoals gegevens over opleiding en beroep van de ouders/verzorgers;
g. tijdstippen en reden van het schoolverlaten.

Naast de gegevens van de centrale leerlingenadministratie wordt van elke leerling gedurende zijn schoolloopbaan een persoonlijk dossier aangehouden.

In het persoonlijke dossier van de leerling kunnen worden opgenomen:

  • gegevens ontvangen van de toeleverende (basis)school zoals cito-scores, rapporten;
  • rapportages van betrokken instanties met betrekking tot het functioneren en welzijn van de leerling zoals testgegevens;
  • correspondentie tussen de school en de leerling en diens ouders/verzorgers;
  • gegevens over het verzuim van de leerling en de reden daarvan;
  • gegevens over de persoonlijke omstandigheden van de leerling of diens ouders/verzorgers voor zover deze relevant zijn voor de schoolloopbaan van de leerling;
  • gegevens over het gedrag van de leerling;
  • gegevens over het welzijn of leermoeilijkheden van de leerling.

De gegevens die zijn opgenomen in de centrale leerlingenadministratie en het persoonlijke dossier zijn toegankelijk voor:

  • de leerling zelf en, indien deze minderjarig is, zijn ouders/verzorgers;
  • de schoolleider;
  • de teamleider;
  • de mentor van de leerling;
  • de aan geheimhoudingsplicht gebonden personeelsleden van de leerlingenadministratie;
  • de rijksinspectie;
  • de door het rijk of gemeente aangewezen personen die belast zijn met de (financiële) controle van de administratie van de school.

In verband met de bescherming van de privacy van de leerlingen en hun ouders/verzorgers is slechts een beperkt deel van de gegevens die zijn opgenomen in de centrale leerlingenadministratie toegankelijk voor:

  • de lesgevende docenten van de leerling;
  • andere personeelsleden dan de personeelsleden van de leerlingenadministratie.

Dit beperkte deel betreft de gegevens die genoemd zijn onder a tot en met e van de eerste alinea van dit hoofdstuk. De gegevens van het leerlingendossier zijn in verband met de bescherming van de privacy van de leerlingen niet voor deze personeelsleden toegankelijk.

Aan het einde van elk schooljaar wordt het persoonlijke dossier van de leerling opgeschoond door of namens de teamleider van het leerjaar waarin de leerling was geplaatst.

Een leerling of een ouder/verzorger heeft het recht correcties aan te laten brengen in de gegevens van de leerling of diens ouders/verzorgers indien deze onjuist zijn.

De schoolleider waarborgt de privacy en de veiligheid van de gegevens van de leerlingen en diens ouders/verzorgers.

Artikel 16: Schorsing en verwijderingsprocedure

a. De school heeft recht om een leerling te schorsen. De leerling heeft dan tijdelijk geen toegang tot het reguliere onderwijs. Deze schorsing kan gebaseerd zijn op het volgende gedrag:

  • agressief gedrag;
  • ongeoorloofd schoolverzuim;
  • wangedrag;
  • drugs- en alcoholgebruik;
  • diefstal;
  • bedreiging;
  • bezit van vuur- steek- of andere wapens.

De mate van ernst van deze schorsingsgrondslagen bepaalt of sprake is van een gewichtige aangelegenheid, een ernstige aangelegenheid of een zeer ernstige aangelegenheid.

b. Schorsingen kunnen alleen worden opgelegd door de schoolleider. De school kent de volgende vier schorsingen:

  • de schorsing van één dag;
  • de verlengde schorsing van één dag;
  • de driedaagse schorsing;
  • de weekschorsing.

De schorsing van één dag
De schorsing van één dag is een corrigerende strafmaatregel die toegepast wordt, indien is gebleken, dat andere pedagogische maatregelen niet het beoogde effect sorteren, of een onmiddellijke maatregel die wordt toegepast naar aanleiding van een gewichtige aangelegenheid. De schorsing van één dag kan met maximaal één dag verlengd worden. Melding bij Inspectie van het Onderwijs is niet nodig.

De verlengde schorsing van één dag
De verlengde schorsing van één dag wordt uitsluitend toegepast, indien niet aan de voorwaarden voor de rentree kan worden voldaan. Dit kan het geval zijn, indien de ouders/verzorgers de volgende dag niet (kunnen) verschijnen en het niet wenselijk wordt geacht de leerling toe te laten voordat het gesprek heeft plaatsgevonden. Melding bij Inspectie van het Onderwijs is geboden.

De driedaagse schorsing
De driedaagse schorsing is een corrigerende strafmaatregel die toegepast wordt, indien is gebleken, dat twee of meerdere schorsingen van één dag niet het beoogde effect sorteren, of een onmiddellijke maatregel die wordt toegepast naar aanleiding van een ernstige aangelegenheid. Bij de driedaagse schorsing is er een mogelijkheid voor de ouders/verzorgers in beroep te gaan bij het bestuur. Melding bij Inspectie van het Onderwijs is geboden.

De weekschorsing
De weekschorsing is een corrigerende strafmaatregel die toegepast wordt, indien is gebleken, dat twee of meerdere driedaagse schorsingen niet het beoogde effect sorteren, of een onmiddellijke maatregel die wordt toegepast naar aanleiding van een zeer ernstige aangelegenheid. Bij de weekschorsing is er de mogelijkheid van de ouders/verzorgers om in beroep te gaan bij het bestuur.

Melding bij Inspectie van het Onderwijs is geboden.

c. Het niet toegestaan om de geschorste leerling te onthouden van onderwijs. De schorsing gaat daarom altijd gepaard met extra huiswerk, leesopdrachten en/of het schrijven van opstellen. De school maakt dan met de leerling en/of de ouders een afspraak om deze te bespreken.

Verwijdering

In bijzondere situaties kan een school een leerling verwijderen. Voordat de school hiertoe besluit worden de ouders in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden. Dit besluit is gebaseerd de artikelen 14 en 15 van het Inrichtingsbesluit Wet Voortgezet Onderwijs (WVO). Definitieve verwijdering van vindt slechts plaats na overleg met de inspecteur (Inspectie van het Onderwijs). Als de schoolleider tot definitieve verwijdering besluit, kunnen de leerling en zijn ouders binnen zes weken na bekendmaking van het besluit bezwaar maken bij het College van Bestuur van de Stichting Islamitisch Onderwijs.

De artikelen 13, 14 en 15 van het Inrichtingsbesluit Wet Voortgezet Onderwijs (WVO) zijn op te vragen bij de school.

d. Een leerling kan worden verwijderd op grond van:

Een leerling kan ook door een mentor of teamleider bij de rector worden voorgedragen voor definitieve verwijdering van de school. Redenen voor definitieve verwijdering zijn:

  • mishandeling;
  • bedreiging;
  • diefstal;
  • drugshandel;
  • wangedrag;
  • wapenbezit;
  • herhaald ongeoorloofd verzuim.
Artikel 17: Procedures bij schorsing en verwijdering
  1. Een besluit tot schorsing wordt schriftelijk aan de leerling en bij minderjarigheid ook aan de ouders/verzorgers medegedeeld met opgave van redenen.
  2. Elke schorsing van drie dagen of een week wordt gemeld aan de inspecteur en de leerplichtambtenaar.
  3. De leerling en bij minderjarigheid de ouders/verzorgers van de leerling kan bij een weekschorsing schriftelijk in beroep gaan bij het bestuur. Het bestuur handelt het beroep binnen vijf schooldagen af.
  4. Indien de schoolleider een leerling definitief van school wil verwijderen stelt het eerst de leerling en bij minderjarigheid de ouders van de leerling in de gelegenheid om zich hierover uit te spreken.
  5. Bij het voornemen om tot verwijdering over te gaan overlegt de schoolleider eerst met de inspecteur.
  6. Tijdens de procedure tot verwijdering kan een leerling worden geschorst.
  7. Het besluit tot definitieve verwijdering wordt schriftelijk aan de leerling en bij minderjarigheid aan zijn ouders medegedeeld met opgave van redenen. Tevens geeft de schoolleider daarbij aan dat er om herziening van het besluit kan worden gevraagd. Dit dient dan binnen zes weken nadat de leerling definitief is verwijderd schriftelijk te geschieden bij het bestuur.
  8. Het bestuur stelt de leerling en bij minderjarigheid ook diens ouders/verzorgers in de gelegenheid zich over de kwestie uit te spreken. Voorts voert het bestuur hierover overleg met de inspecteur en zo nodig met andere deskundigen. Eventuele adviezen of rapporten zijn ter inzage voor de leerling en bij minderjarigheid voor diens ouders/verzorgers.

Het bestuur handelt het verzoek om herziening binnen vier weken af.

Artikel 18: Overige bepalingen

In alle gevallen waarin dit statuut niet voorziet beslist de schoolleider.