Steekproefsgewijs laten wij op onze website een les zien van een willekeurig vak. In dit geval is dat Nederlands. Deze les is ook vakoverstijgend geweest met geschiedenis in het vakgebied mens en maatschappij.


Les van juni 2018: Poëzie en het Wilhelmus

Zoals je hebt gemerkt, hebben we dit schooljaar weinig tot geen aandacht gehad voor het onderwerp poëzie, zoals dat staat in het boek Nieuw Nederlands. In deze les leer je globaal de theorie van bladzijde 79, 121 en 205. Aan de hand van het Nederlandse volkslied behandelen we poëzie en leren we tegelijk iets meer over ons volkslied.


Gerelateerde afbeelding

Het Wilhelmus – de geschiedenis van ons volkslied

Het Wilhelmus wordt door het Guinness Book of Records beschouwd als het oudste volkslied ter wereld. Toch is het pas sinds 1932 het officiële volkslied van Nederland. In dit artikel wordt een beknopte geschiedenis van onze nationale hymne gegeven.

Auteur van het Wilhelmus

Lang is gedacht dat de tekst van het Wilhelmus werd geschreven door Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, een belangrijke raadgever van Willem van Oranje. Dat is eigenlijk helemaal niet zeker. Wel is het duidelijk dat de liedtekst werd geschreven aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog, zo rond het jaar 1570, toen de Lage Landen in opstand kwamen tegen de Spaanse koning Filips II. Die had zijn ‘IJzeren’ hertog Alva in 1567 naar de Nederlanden gestuurd om orde op zaken te stellen, nadat hier de Beeldenstorm was losgebarsten. In deze jaren groeide Willem van Oranje langzaam uit tot een verzetsheld en het symbool van de Opstand tegen Spanje.

Het volkslied is een geuzenlied. Dat wil zeggen dat de tekst in verschillende geuzenliedboeken terecht is gekomen. Daar stond dan geen auteur bij. In de zeventiende eeuw, zo’n honderd jaar later, dachten sommigen dat het lied door Marnix van Sint-Aldegonde was geschreven, maar het is vreemd dat hij zelf nooit heeft geschreven dat hij de auteur zou zijn. Na nieuw onderzoek in 2016 door het Meertens Instituut is vastgesteld dat het volkslied lijkt op andere gedichten van Petrus Datheen. Dat zou betekenen dat hij dus misschien wel de auteur is. Ook dat is alleen niet met zekerheid vast te stellen.

Wie de auteur ook is, vaststaat dat de tekst op een al bestaande melodie werd geschreven, namelijk die van het spotlied “O la folle entreprise du prince de Condé”. Dat lied ontstond in 1568 bij het beleg van de Franse stad Chârtres. Dichter Petrus Datheen was overigens ook aanwezig was bij dat beleg.

Het Wilhelmus als volkslied

Pas in 1932 werd het Wilhelmus ons nationale volkslied. Het verving ‘Wien Neêrlands bloed’, dat vanaf 1817 na een wedstrijd werd gekozen als de nationale hymne. Het werd nooit echt populair. Dat kwam volgens sommigen door de racistische zin: “Wien Neêrlandsch bloed door d’aderen vloeit, van vreemde smetten vrij.”

Aan het begin van de negentiende eeuw vond men het Wilhelmus nog ongeschikt als nationaal volkslied, omdat het werd gezien als het partijlied van de Oranje-gezinden. Het Nederlandse Koninkrijk bestond uit wat tegenwoordig drie landen zijn: België, Nederland en Luxemburg. Voor de inwoners van wat tegenwoordig België is was het Wilhelmus te Nederlands en te protestants, terwijl België een katholiek land is. In 1830 scheidde België zich af en werd een eigen koninkrijk met een eigen volkslied.

‘Verkapt Geuzenonderwijs’

Het Wilhelmus bleef populair en het Wien Neêrlandsch bloed niet. Bijzonder was bijvoorbeeld dat koningin Wilhelmina bij haar inhuldiging in 1898 het Wilhelmus liet spelen in plaats van het officiële volkslied. Ook bij andere officiële gelegenheden werd het Wilhelmus steeds vaker gespeeld. Dit zorgde wel voor verwarring.

Toen het Wilhelmus op 10 mei 1932 officieel het volkslied werd, was er nog steeds protest. Er kwamen bijvoorbeeld bezwaren vanuit het onderwijs. Kinderen konden de tekst van het lied wel instuderen, maar ze begrepen het niet. Een deel van de katholieke pers had ook bezwaren tegen het lied en sprak van ‘verkapt Geuzenonderwijs’:

“Het Wilhelmus is een doelbewuste leugen en daarom dient het op onze scholen geweerd te worden, ook als ons volkslied. Zoolang wij geen beter volkslied hebben, zullen we er geen zingen.”
– De Tijd, 9 november 1928 –

Ook socialisten, die meestal tegen de monarchie waren, moesten niets van het Wilhelmus hebben. Uiteindelijk zorgde de Tweede Wereldoorlog er voor dat het Wilhelmus geaccepteerd werd. In deze periode van onderdrukking ontstond meer behoefte aan oude symbolen van nationale eenheid.

De geheime toespraken van koningin Wilhelmina via Radio Oranje werden altijd afgesloten met het Wilhelmus. Dat zorgde ervoor dat vaderlandslievende personen die eerst niets van het lied hadden moeten hebben, het Wilhelmus accepteerden als ‘hún volkslied’.

Tijdens officiële bijeenkomsten wordt tegenwoordig meestal alleen het eerste couplet gezongen, soms gevolgd door het meer religieuze zesde couplet.

Naar: Historiek, Yuri Visser,16 augustus 2017


Theorie Nieuw Nederlands 5de editie

Blz. 79

Metrum: voorbeelden van het metrum zijn:     
10. Mijn | é | del | hárt | dat | blóedt
15. Voor | Gód | wil | ík | be | líj | den

Rijm: voorbeelden van rijm zijn:     
1. Nassouwe –getrouwe
9. zoet – gemoed

Herhaling:  voorbeelden van terugkerende woorden zijn:  
1-10-15: Koning
2-3-5-6-7-8-11-14-15: God/Godes

Blz. 121

Onderwerp:
Zie inhoud (omgeving/gevoel)

Blz.205

Meer betekenissen: woorden met meer betekenissen zijn:  
1-10-15 Koning
14. Schapen – herder

Herhaling: voorbeelden van herhaalde klanken zijn:
13. Den Heer heb ik gebeden

Weglating:  een voorbeeld van wat weggelaten is:     
8. (Hij heeft hem) een koninkrijk gegeven

Afbreking: Een voorbeeld is:
3. mijn onderzaten – die oprecht zijt van aard


Inhoud eerste strofe

Het Wilhelmus bestaat uit vijftien coupletten, waarvan de eerste letters de naam Willem van Nassov vormden, doordat het in verouderd Nederlands was geschreven. Het lied is geschreven alsof het door Willem van Oranje wordt gezongen, maar waarschijnlijk heeft hij dat nooit gedaan. In het lied komt de tweestrijd van Willem van Oranje duidelijk naar voren. Enerzijds wil hij trouw blijven aan de Spaanse koning Filips II, maar aan de andere kant wil hij God dienen en de Nederlanders voorgaan in de strijd tegen de tirannie.

Uitleg van het eerste couplet:

Wilhelmus van Nassouwe – Willem van Nassau, prins van Oranje, de naam van degene die zogenaamd zijn verhaal vertelt; niet de echte verteller, want dat is een onbekende dichter

Ben ik van Duitsen bloed – Geboren in Nassau, het Dietssprekende gedeelte; Duitsland bestond nog niet

Den vaderland getrouwe – Willem blijft de Lage Landen van de Nederlanden trouw, de plaats waar hij opgroeide en zelfs speelde met Filips II.

Blijf ik tot in den dood – Trouw, al moet de dood erop volgen. De tekst rijmt hier niet, net als op één andere plek in het hele Wilhelmus; vaak zingen mensen hier ‘doet’, omdat ze denken dat dat het verouderde woord voor ‘dood’ is

Een Prinse van Oranje – Willem is prins van de Franse stad Orange

Ben ik vrij onverveerd – Willem is ongebonden en gerechtigd een oorlog te beginnen tegen de Spaanse Koning, iets dat alleen prinsen, koningen e.d. mochten

Den Koning van Hispanjen – De Spaanse Koning, de heerser over de Nederlanden in de 16de eeuw

Heb ik altijd geëerd – Omdat de mensen er vanuit gingen dat God hen de koning had gegeven (bij de gratie Gods) was het belangrijk om God te laten zien dat Hij niet de verkeerde Koning had gegeven; de Koning wordt nog wel geëerd, alleen zijn tirannieke regeerstijl wordt afgewezen.


Inhoud tweede tot en met de vijftiende strofe

Het Wilhelmus heeft een soort opbouw, ruwweg gezegd, de eerste zes coupletten handelen meer over Willem zelf, dan drie coupletten die ingaan op de relatie met God en de laatste coupletten de strijd. In het kort:

Strofe 2: Willem is genoodzaakt om te vluchten, beroofd van land en onderdanen, maar blijft vertrouwen in God.

Strofe 3: Willem spreekt zijn onderdanen aan: blijf bidden, God is altijd aanwezig.

Strofe 4: Voor de strijd is alles ingezet. Zijn broer graaf Adolf is gesneuveld bij Heiligerlee in 1568.

Strofe 5: Moed van Willem bevestigd door het wagen van zijn leven voor de vrijheid.

Strofe 6: Spaanse gruwel moet bestreden worden. Het lijkt op een psalm uit de Bijbel.

Strofe 7: Een dua tot God, waarin hij zijn angst uitspreekt om door een vijand gedood te worden. Dit gebeurt uiteindelijk in 1584 door Balthasar Gerards.

Strofe 8: Een vergelijking met de profeet Dawoed, een vroom mens wordt vervolgd.

Strofe 9: Na een moeilijke periode zullen er betere tijden aanbreken.

Strofe 10: Het doet pijn om te zien wat er met Nederland gebeurt.

Strofe 11: Slag bij Maastricht van 1568: Alva gaat het gevecht niet aan met het leger van Oranje.

Strofe 12: Vertrouwen in bestuur van God. De mens is afhankelijk van God.

Strofe 13: Trouw aan God blijkt vooral als je tegenslag hebt in het leven.

Strofe 14: Oorlof, gevolgd door een tekst uit de Bijbel (Jeremia 23, 1-4). Ook is er een verwijzing naar Yaum al Qiyama, de Dag van het Oordeel.

Strofe 15: Er wordt gespeeld met het woord ‘Koning’ en ‘Majesteit’ waar feitelijk op God gedoeld wordt in plaats van de Koning van Spanje. De Koning blijf je altijd trouw.

De tekst van het eerste, het zesde en het laatste couplet moet je uit je hoofd leren! Tijdens de poëzietoets worden deze gevraagd!